1. Personen die handelen in goederen of diensten verlenen, mogen contante betalingen ten bedrage van maximaal 10 000 EUR, of de tegenwaarde in de nationale of buitenlandse munteenheid, aanvaarden of verrichten ongeacht of de transactie wordt verricht in één verrichting dan wel in verscheidene verrichtingen waartussen een verband lijkt te bestaan.
2. De lidstaten mogen lagere limieten vaststellen na raadpleging van de Europese Centrale Bank overeenkomstig artikel 2, lid 1, van Beschikking 98/415/EG van de Raad Beschikking 98/415/EG (PB L 189) . Die lagere limieten worden binnen drie maanden na de invoering van de maatregel op nationaal niveau aan de Commissie meegedeeld.
3. Indien op nationaal niveau reeds limieten bestaan die lager zijn dan de in lid 1 vastgestelde limiet, blijven deze van toepassing. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 10 oktober 2024 in kennis van die limieten.
4. De in lid 1 opgenomen limiet geldt niet voor:
a) | betalingen tussen natuurlijke personen die niet beroepshalve handelen; |
b) | betalingen of deposito’s in de gebouwen van kredietinstellingen, uitgevers van elektronisch geld zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 3, van Richtlijn 2009/110/EG en betalingsdienstaanbieders zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 11, van Richtlijn (EU) 2015/2366. |
In de eerste alinea, punt b), bedoelde betalingen of deposito’s boven de limiet worden aan de FIE medegedeeld binnen de door de FIE opgelegde termijnen.
5. De lidstaten zorgen ervoor dat passende maatregelen, met inbegrip van de oplegging van sancties, worden genomen tegen natuurlijke of rechtspersonen die beroepshalve handelen en die verdacht worden van een inbreuk op de in lid 1 vastgestelde limiet of een door de lidstaten vastgestelde lagere limiet.
6. Het totale niveau van de sancties wordt overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het nationale recht zodanig berekend dat de resultaten ervan evenredig zijn met de ernst van de inbreuk en verdere inbreuken van dezelfde aard effectief worden ontmoedigd.
7. Indien door overmacht andere betaalmiddelen — in de vorm van geldmiddelen zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 25, van Richtlijn (EU) 2015/2366 — dan bankbiljetten en muntstukken op nationaal niveau niet-beschikbaar worden, kunnen de lidstaten de toepassing van lid 1 of, in voorkomend geval, van lid 2 van dit artikel tijdelijk opschorten en stellen zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis. De lidstaten stellen de Commissie ook in kennis van de verwachte duur van de niet-beschikbaarheid van andere betaalmiddelen — in de vorm van geldmiddelen zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 25, van Richtlijn (EU) 2015/2366 — dan bankbiljetten en muntstukken, en van de maatregelen die de lidstaten hebben genomen om deze weer beschikbaar te stellen.
Indien de Commissie op basis van de door de lidstaat verstrekte informatie van oordeel is dat de opschorting van de toepassing van lid 1 of, in voorkomend geval, van lid 2 niet gerechtvaardigd is door overmacht, stelt zij een tot die lidstaat gericht besluit vast waarin wordt verzocht dergelijke opschorting onmiddellijk op te heffen.