Artikel 69 – Melding van vermoedens

1.   De meldingsplichtige entiteiten en, in voorkomend geval, de bestuurders en werknemers van die entiteiten, verlenen hun volledige samenwerking aan de FIE door onverwijld:

a)

op eigen initiatief melding te doen aan de FIE, indien de meldingsplichtige entiteit weet, vermoedt of redelijkerwijs kan vermoeden dat geldmiddelen of activiteiten, ongeacht het bedrag, opbrengsten van criminele activiteiten zijn of verband houden met terrorismefinanciering of criminele activiteiten, en door in dergelijke gevallen te reageren op verzoeken van de FIE om bijkomende informatie;

b)

de FIE, op haar verzoek, alle nodige informatie te verstrekken, met inbegrip van informatie over transactiegegevens, binnen de opgelegde termijnen;

Alle verdachte transacties, waaronder pogingen daartoe en vermoedens die voortvloeien uit het onvermogen om cliëntenonderzoek te verrichten, worden overeenkomstig de eerste alinea gemeld.

Voor de toepassing van de eerste alinea reageren de meldingsplichtige entiteiten binnen vijf werkdagen op een verzoek om informatie van de FIE. In gerechtvaardigde en dringende gevallen kunnen de FIE’s die termijn inkorten, ook tot minder dan 24 uur.

In afwijking van de derde alinea kan de FIE de antwoordtermijn verlengen tot meer dan vijf werkdagen indien zij dit gerechtvaardigd acht en mits de verlenging de analyse van de FIE niet ondermijnt.

2.   Voor de toepassing van lid 1 beoordelen meldingsplichtige entiteiten de transacties of activiteiten die hun cliënten uitvoeren, op basis van en tegen alle relevante feiten en informatie waarvan zij kennis hebben of waarover zij beschikken. Indien nodig geven meldingsplichtige entiteiten voorrang aan hun beoordeling, rekening houdend met de urgentie van de transactie of activiteit en de risico’s die invloed hebben op de lidstaat waarin zij zijn gevestigd.

Een vermoeden op grond van lid 1, punt a), is gebaseerd op de kenmerken van de cliënt en diens tegenhangers, de omvang en aard van de transactie of activiteit of de methoden en patronen daarvan, het verband tussen verschillende transacties of activiteiten, de herkomst, de bestemming of het gebruik van geldmiddelen, of alle andere omstandigheden waarvan de meldingsplichtige entiteit kennis heeft, met inbegrip van de consistentie van de transactie of activiteit met de informatie verkregen op grond van Hoofdstuk III, waaronder het risicoprofiel van de cliënt.

3.   Uiterlijk op 10 juli 2026 stelt de AMLA ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op en legt deze ter goedkeuring voor aan de Commissie. In die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen wordt het formaat gespecificeerd dat moet worden gebruikt voor het melden van vermoedens op grond van lid 1, punt a), en voor het verstrekken van transactiegegevens op grond van lid 1, punt b).

4.   Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in lid 3 van dit artikel genoemde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 53 van Verordening (EU) 2024/1620.

5.   Uiterlijk op 10 juli 2027 verstrekt de AMLA richtsnoeren inzake indicatoren voor verdachte activiteiten of gedragingen. Die richtsnoeren worden regelmatig bijgewerkt.

6.   De overeenkomstig artikel 11, lid 2, aangewezen nalevingsfunctionaris zendt de in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie toe aan de FIE van de lidstaat op het grondgebied waarvan de meldingsplichtige entiteit die de informatie toezendt, gevestigd is.

7.   De meldingsplichtige entiteiten zorgen ervoor dat de overeenkomstig artikel 11, lid 3, aangewezen nalevingsfunctionaris alsmede alle werknemers of personen in een vergelijkbare positie, met inbegrip van makelaars en distributeurs, die betrokken zijn bij de uitvoering van de onder dit artikel vallende taken, worden beschermd tegen represailles, discriminatie of elke andere vorm van oneerlijke behandeling voor de uitvoering van die taken.

Dit lid doet geen afbreuk aan de bescherming waarop de in de eerste alinea bedoelde personen uit hoofde van Richtlijn (EU) 2019/1937 aanspraak kunnen maken.

8.   Indien de activiteiten van een partnerschap voor informatie-uitwisseling leiden tot kennis, vermoedens of redelijke gronden om te vermoeden dat geldmiddelen, ongeacht het bedrag, opbrengsten van criminele activiteiten zijn of verband houden met terrorismefinanciering, kunnen meldingsplichtige entiteiten die vermoedens met betrekking tot de activiteiten van hun cliënten hebben vastgesteld, een van hen aanwijzen als verantwoordelijke om een melding te doen aan de FIE op grond van lid 1, punt a). Die melding bevat ten minste de naam en contactgegevens van alle meldingsplichtige entiteiten die hebben deelgenomen aan de activiteiten die tot de melding hebben geleid.

Indien de in de eerste alinea genoemde meldingsplichtige entiteiten in verschillende lidstaten zijn gevestigd, wordt de informatie aan elke bevoegde FIE gemeld. Hiertoe zorgen de meldingsplichtige entiteiten ervoor dat de melding wordt gedaan door een meldingsplichtige entiteit op het grondgebied van de lidstaat waar de FIE is gevestigd.

Indien de meldingsplichtige entiteiten besluiten geen gebruik te maken van de mogelijkheid om één enkele melding te doen bij de FIE, op grond van de eerste alinea, vermelden zij bij hun melding dat het vermoeden resulteert uit de activiteiten van een partnerschap voor informatie-uitwisseling.

9.   De in lid 8 van dit artikel bedoelde meldingsplichtige entiteiten houden overeenkomstig artikel 77 een kopie bij van de meldingen die op grond van dat lid zijn gedaan.

Scroll naar boven