1. Juridische entiteiten die buiten de Unie zijn opgericht en trustees van express trusts of personen met een gelijkwaardige functie in een soortgelijke juridische constructie die buiten de Unie worden beheerd of buiten de Unie verblijven of gevestigd zijn, geven op grond van artikel 62 informatie over de uiteindelijk begunstigden door aan het centrale register van de lidstaat wanneer zij:
a) | een zakelijke relatie aangaan met een meldingsplichtige entiteit; |
b) | rechtstreeks of via tussenpersonen onroerend goed in de Unie verwerven; |
c) | rechtstreeks of via tussenpersonen een van de volgende goederen verwerven van personen die handelen als bedoeld in artikel 3, punt 3), f) en j), in het kader van een occasionele transactie:
|
d) | door een aanbestedende dienst in de Unie een overheidsopdracht voor goederen of diensten dan wel concessies worden gegund; |
2. In afwijking van lid 1, punt a), indien buiten de Unie opgerichte juridische entiteiten een zakelijke relatie aangaan met een meldingsplichtige entiteit, geven zij hun informatie over de uiteindelijk begunstigden alleen door aan het centrale register wanneer:
a) | zij een zakelijke relatie aangaan met een meldingsplichtige entiteit die verband houdt met middelhoog of hoog risico op witwassen en terrorismefinanciering overeenkomstig de risicobeoordeling op Unieniveau of de nationale risicobeoordeling van de betrokken lidstaat als vermeld in de artikelen 7 en 8 van Richtlijn (EU) 2024/1640, of |
b) | uit de risicobeoordeling op Unieniveau of de nationale risicobeoordeling van de betrokken lidstaat blijkt dat de categorie juridische entiteit of de sector waarin de buiten de Unie opgerichte juridische entiteit actief is, in voorkomend geval, een middelhoog of hoog risico op witwassen en terrorismefinanciering vertegenwoordigt. |
3. De informatie over de uiteindelijk begunstigden gaat vergezeld van een verklaring waarin wordt aangegeven met betrekking tot welke van die activiteiten de informatie wordt doorgegeven, alsmede van alle relevante documenten, en wordt doorgegeven:
a) | voor de in lid 1, punt a), genoemde gevallen vóór het begin van de zakelijke relatie; |
b) | voor de in lid 1, punten b) en c), genoemde gevallen vóór de voltooiing van de aankoop; |
c) | voor de in lid 1, punt d), genoemde gevallen vóór de ondertekening van de opdracht. |
4. Voor de toepassing van lid 1, punt a), stellen meldingsplichtige entiteiten de juridische entiteiten ervan in kennis wanneer aan de voorwaarden van lid 2 is voldaan en vereisen zij een bewijs van registratie of een uittreksel van de informatie over de uiteindelijk begunstigden in het centrale register om de zakelijke relatie of occasionele transactie voort te zetten.
5. In de in lid 1 genoemde gevallen melden buiten de Unie opgerichte juridische entiteiten en trustees van express trusts of personen met een gelijkwaardige functie in een soortgelijke juridische constructie die buiten de Unie worden beheerd of die buiten de Unie verblijven of gevestigd zijn, elke wijziging in de informatie over uiteindelijk begunstigden die op grond van lid 1 aan het centrale register is doorgegeven zonder onnodige vertraging en in elk geval binnen 28 kalenderdagen na die wijziging.
De eerste alinea is van toepassing op:
a) | voor de in lid 1, punt a), genoemde gevallen voor de gehele duur van de zakelijke relatie met de meldingsplichtige entiteit; |
b) | voor de in lid 1, punt b), genoemde gevallen, zolang de juridische entiteit of juridische constructie eigenaar is van het onroerend goed; |
c) | voor de in lid 1, punt c), genoemde gevallen, voor de periode tussen de eerste doorgifte van de informatie aan het centrale register en de voltooiing van de aankoop; |
d) | voor de in lid 1, punt d), genoemde gevallen voor de gehele duur van de opdracht. |
6. Indien de juridische entiteit, de trustee van de express trust of de persoon met een gelijkwaardige functie in een soortgelijke juridische constructie in verschillende lidstaten voldoet aan de in lid 1 neergelegde voorwaarden, wordt een bewijs waaruit blijkt dat de informatie over de uiteindelijk begunstigden in een centraal register van één lidstaat is geregistreerd, beschouwd als een toereikend registratiebewijs.
7. Indien op 10 juli 2027 juridische entiteiten die buiten de Unie zijn opgericht of buiten de Unie beheerde juridische constructies of waarvan de trustee of persoon met een gelijkwaardige functie in een soortgelijke juridische constructie buiten de Unie verblijft of is gevestigd, rechtstreeks of via tussenpersonen, eigenaar zijn van onroerend goed, wordt de informatie over de uiteindelijk begunstigden van die juridische entiteiten en juridische constructies uiterlijk op 10 januari 2028 ingediend bij het centrale register en gaat vergezeld van een motivering voor die indiening.
De eerste alinea is echter niet van toepassing op juridische entiteiten of juridische constructies die vóór 1 januari 2014 onroerend goed in de Unie hebben verworven.
De lidstaten kunnen op basis van het risico besluiten dat een eerdere datum van toepassing is en stellen de Commissie daarvan in kennis. De Commissie stelt de overige lidstaten van dergelijke besluiten in kennis.
8. De lidstaten kunnen op basis van het risico de in lid 1, punt a), vastgestelde verplichting uitbreiden tot zakelijke relaties met buitenlandse juridische entiteiten die op 10 juli 2027 lopen en de Commissie daarvan in kennis stellen. De Commissie stelt de overige lidstaten van dergelijke besluiten in kennis.