1. De lidstaten kunnen besluiten om natuurlijke of rechtspersonen die slechts occasioneel of in zeer beperkte mate een in de punten 2 tot en met 12, 14 en 15, van bijlage I bij Richtlijn 2013/36/EU vermelde financiële activiteit uitoefenen waarbij het risico van witwassen of terrorismefinanciering gering is, met uitzondering van personen die werkzaamheden verrichten op het gebied van geldtransfers zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 22, van Richtlijn (EU) 2015/2366, vrij te stellen van de vereisten van deze verordening, mits aan alle volgende criteria is voldaan:
a) | de financiële activiteit is in absolute zin beperkt van omvang; |
b) | de financiële activiteit is op transactiebasis beperkt; |
c) | de financiële activiteit vormt niet de hoofdactiviteit van die personen; |
d) | de financiële activiteit heeft een bijkomstig karakter en houdt rechtstreeks verband met de hoofdactiviteit van die personen; |
e) | de hoofdactiviteit van die personen is niet een activiteit als bedoeld in artikel 3, punt 3, a) tot en met d) of g), van deze verordening; |
f) | de financiële activiteit wordt enkel verricht ten behoeve van cliënten van de hoofdactiviteit van die personen, en wordt niet algemeen aangeboden aan het publiek. |
2. Voor de toepassing van lid 1, punt a), schrijven de lidstaten voor dat de totale omzet uit de financiële activiteit een bepaalde limiet, die voldoende laag moet zijn, niet overschrijdt. Die limiet wordt, afhankelijk van het soort financiële activiteit, bepaald door de lidstaten.
3. Voor de toepassing van lid 1, punt b), hanteren de lidstaten per cliënt en per transactie een maximumlimiet, ongeacht of de transactie plaatsvindt in één verrichting, dan wel in de vorm van onderling samenhangende transacties. Die maximumlimiet wordt, afhankelijk van het soort financiële activiteit, bepaald door de lidstaten. De limiet moet voldoende laag liggen om ervoor te zorgen dat dit soort transacties geen geschikte of doelmatige methode vormen voor witwassen of terrorismefinanciering, en bedraagt niet meer dan 1 000 EUR, of de tegenwaarde in de nationale munteenheid, ongeacht het betaalmiddel.
4. Voor de toepassing van lid 1, punt c), verlangen de lidstaten dat de omzet uit de financiële activiteit niet meer dan 5 % van de totale omzet van de betrokken natuurlijke of rechtspersoon bedraagt.
5. Wanneer de lidstaten voor de toepassing van dit artikel het risico van witwassen of terrorismefinanciering beoordelen, besteden zij bijzondere aandacht aan elke financiële activiteit die vanwege haar aard bijzonder gevoelig wordt geacht voor gebruik of misbruik met het oog op witwassen of terrorismefinanciering.
6. De lidstaten zetten risicogebaseerde controleactiviteiten op of nemen andere passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de op grond van dit artikel verleende vrijstellingen niet worden misbruikt.