1. Voor de toepassing van artikel 51, eerste alinea, punt a), wordt onder “eigendomsbelang in de vennootschap” verstaan een direct of indirect eigendom van 25 % of meer van de aandelen of stemrechten of een ander eigendomsbelang in de vennootschap, met inbegrip van rechten op een aandeel in de winst, andere interne middelen of liquidatiebalans. De indirecte eigendom wordt berekend door de aandelen, stemrechten of andere eigendomsbelangen waarover de tussenliggende entiteiten beschikken in de keten waarin de uiteindelijk begunstigde aandelen of stemrechten bezit, te vermenigvuldigen en door de resultaten van die verschillende ketens bij elkaar op te tellen, tenzij artikel 54 van toepassing is.
Bij de beoordeling of er een eigendomsbelang in de vennootschap is, wordt rekening gehouden met het bezit van aandelen op elk eigendomsniveau.
2. Indien de lidstaten op grond van artikel 8, lid 4, punt c), van Richtlijn (EU) 2024/1640 categorieën vennootschappen identificeren die zijn blootgesteld aan een hoger risico van witwassen en terrorismefinanciering, onder meer op basis van de sectoren waarin zij actief zijn, stellen zij de Commissie daarvan in kennis. Uiterlijk op 10 juli 2029 beoordeelt de Commissie of de aan die categorieën juridische entiteiten verbonden risico’s relevant zijn voor de interne markt en stelt zij, indien zij concludeert dat een lagere drempel passend is om die risico’s te beperken, gedelegeerde handelingen vast overeenkomstig artikel 85 om deze verordening te wijzigen door het volgende te identificeren:
a) | de categorieën van vennootschappen waaraan hogere risico’s van witwassen en terrorismefinanciering zijn verbonden en waarvoor een lagere drempel geldt; |
b) | de bijbehorende drempels. |
De in de eerste alinea bedoelde lagere drempel wordt vastgesteld op maximaal 15 % van het eigendomsbelang in de vennootschap, tenzij de Commissie op basis van het risico concludeert dat een hogere drempel, die in ieder geval minder dan 25 % bedraagt, evenrediger zou zijn.
3. De Commissie evalueert de in lid 2 bedoelde gedelegeerde handeling regelmatig om ervoor te zorgen dat daarin de relevante categorieën van bedrijfsentiteiten waaraan hogere risico’s verbonden zijn worden geïdentificeerd, en dat de betrokken drempels in verhouding staan tot die risico’s.
4. In het geval van andere juridische entiteiten dan vennootschappen, waarvoor het gezien hun vorm en structuur niet passend of mogelijk is de eigendom te berekenen, zijn de uiteindelijk begunstigden de natuurlijke personen die op grond van artikel 53, leden 3 en 4, directe of indirecte zeggenschap over de juridische entiteit hebben, behalve indien artikel 57 van toepassing is.