Artikel 5 – Vrijstellingen voor bepaalde professionele voetbalclubs

1.   De lidstaten kunnen besluiten om professionele voetbalclubs die in de hoogste divisie van de nationale voetbalcompetitie spelen en die in elk van de twee voorgaande kalenderjaren een totale jaaromzet van minder dan 5 000 000 EUR, of de tegenwaarde in de nationale munteenheid, hebben gehaald, geheel of gedeeltelijk vrij te stellen van de vereisten van deze verordening op basis van het bewezen geringe risico dat de aard en de omvang van de activiteiten van die professionele voetbalclubs met zich meebrengen.

De lidstaten kunnen besluiten om professionele voetbalclubs die in een lagere divisie van de nationale voetbalcompetitie spelen geheel of gedeeltelijk vrij te stellen van de vereisten van deze verordening op basis van het bewezen geringe risico dat de aard en de omvang van de activiteiten van dergelijke professionele voetbalclubs met zich meebrengen.

2.   Voor de toepassing van lid 1 voeren de lidstaten een risicobeoordeling van de professionele voetbalclubs uit met betrekking tot:

a)

bedreigingen en kwetsbaarheden op het vlak van witwassen en terrorismefinanciering, en met de professionele voetbalclubs gepaard gaande verzachtende factoren;

b)

de risico’s in verband met de omvang en de grensoverschrijdende aard van de transacties.

Bij het uitvoeren van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde risicobeoordelingen houden de lidstaten rekening met de resultaten van de op grond van artikel 7 van Richtlijn (EU) 2024/1640 door de Commissie uitgevoerde risicobeoordelingen op Unieniveau.

3.   De lidstaten zetten risicogebaseerde controleactiviteiten op of nemen andere passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de op grond van dit artikel verleende vrijstellingen niet worden misbruikt.

Scroll naar boven