1. De meldingsplichtige entiteiten verkrijgen van de meldingsplichtige entiteit waarop zij steunen, alle nodige informatie betreffende de cliëntenonderzoeksmaatregelen van artikel 20, lid 1, punten a), b) en c), of de voorgestelde bedrijfsactiviteit.
2. Meldingsplichtige entiteiten die steunen op andere meldingsplichtige entiteiten, nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de meldingsplichtige entiteit waarop wordt gesteund, op verzoek het volgende verstrekt:
a) | kopieën van de voor de identificatie van de cliënt verzamelde informatie; |
b) | alle bewijsstukken of betrouwbare informatiebronnen die zijn gebruikt om de identiteit van de cliënt en, in voorkomend geval, van de uiteindelijk begunstigden van de cliënt of van personen namens wie de cliënt handelt, te verifiëren, met inbegrip van gegevens die zijn verkregen met behulp van elektronische identificatiemiddelen en relevante vertrouwensdiensten als bedoeld in Verordening (EU) nr. 910/2014, en |
c) | verzamelde informatie over het doel en de beoogde aard van de zakelijke relatie. |
3. De in de leden 1 en 2 bedoelde informatie wordt door de meldingsplichtige entiteit waarop wordt gesteund, onverwijld en in elk geval binnen vijf werkdagen verstrekt.
4. De voorwaarden voor de doorgifte van de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie en documenten worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen de meldingsplichtige entiteiten.
5. Indien de meldingsplichtige entiteit steunt op een meldingsplichtige entiteit die deel uitmaakt van haar groep, kan de schriftelijke overeenkomst worden vervangen door een op groepsniveau vastgestelde interne procedure, mits aan de voorwaarden van artikel 48, lid 3, is voldaan.