Wanneer sprake is van grensoverschrijdende correspondentrelaties met een respondentinstelling uit een derde land, met inbegrip van relaties die zijn aangegaan voor effectentransacties of geldovermakingen, en wanneer in het kader van die relaties betalingen worden verricht, wordt van de kredietinstellingen en financiële instellingen verlangd dat zij bij het aangaan van een zakelijke relatie niet alleen de cliëntenonderzoeksmaatregelen van artikel 20 toepassen, maar daarnaast ook:
a) | voldoende informatie over de respondentinstelling verzamelen om een volledig beeld te krijgen van de aard van de bedrijfsactiviteit van de respondent, en op basis van publiekelijk beschikbare informatie de reputatie van de instelling en de kwaliteit van het toezicht bepalen; |
b) | de AML/CFT-controles van de respondentinstelling beoordelen; |
c) | toestemming verkrijgen van het hoger leidinggevend personeel alvorens nieuwe correspondentrelaties aan te gaan; |
d) | de respectieve verantwoordelijkheden van elke instelling documenteren; |
e) | met betrekking tot transitrekeningen (payable-through accounts) zich ervan vergewissen dat de respondentinstelling de identiteit heeft geverifieerd van, en doorlopend zorgvuldigheidsonderzoek verricht ten aanzien van, de cliënten die rechtstreeks toegang hebben tot de rekeningen van de correspondentinstelling en dat zij in staat is om op verzoek de relevante cliëntenonderzoeksgegevens te verstrekken aan de correspondentinstelling. |
Wanneer kredietinstellingen en financiële instellingen besluiten grensoverschrijdende correspondentrelaties te beëindigen om redenen die verband houden met het AML/CFT-beleid, documenteren zij hun besluit.