Artikel 34 – Toepassingsgebied van verscherpte zorgvuldigheidsmaatregelen

1.   In de in de artikelen 29, 30, 31 en 36 tot en met 46 bedoelde gevallen alsmede in andere gevallen met een hoger risico die door de meldingsplichtige entiteiten op grond van artikel 20, lid 2, tweede alinea, worden vastgesteld, passen de meldingsplichtige entiteiten verscherpte zorgvuldigheidsmaatregelen toe om die risico’s op passende wijze te beheren en te beperken.

2.   De meldingsplichtige entiteiten onderzoeken het doel van alle transacties die aan ten minste een van de volgende voorwaarden voldoen, en de oorsprong en de bestemming van de daarbij betrokken geldmiddelen:

a)

de transactie is complex;

b)

de transactie is ongebruikelijk groot;

c)

de transactie vertoont een ongebruikelijk patroon;

d)

de transactie heeft geen duidelijk economisch of rechtmatig doel.

3.   Behalve in de gevallen als bedoeld in afdeling 2 van dit hoofdstuk houden de meldingsplichtige entiteiten bij het beoordelen van de aan een zakelijke relatie of occasionele transactie verbonden risico’s van witwassen en terrorismefinanciering ten minste rekening met de op een potentieel hoger risico wijzende factoren die zijn opgenomen in bijlage III en de door de AMLA op grond van artikel 32 vastgestelde richtsnoeren, alsmede met alle andere indicatoren van een hoger risico, zoals kennisgevingen van de FIE en bevindingen van de bedrijfsbrede risicobeoordeling uit hoofde van artikel 10.

4.   Behalve in de gevallen als bedoeld in afdeling 2 van dit hoofdstuk passen de meldingsplichtige entiteiten in gevallen met een hoger risico als bedoeld in lid 1 van dit artikel verscherpte zorgvuldigheidsmaatregelen toe, in verhouding tot vastgestelde hogere risico’s, die de volgende maatregelen kunnen omvatten:

a)

verkrijgen van aanvullende informatie over de cliënten en de uiteindelijk begunstigden;

b)

verkrijgen van aanvullende informatie over de beoogde aard van de zakelijke relatie;

c)

verkrijgen van aanvullende informatie over de bron van de geldmiddelen en de bron van het vermogen van de cliënten en de uiteindelijk begunstigden;

d)

verkrijgen van informatie over de redenen voor de voorgenomen of uitgevoerde transacties en over de consistentie ervan met de zakelijke relatie;

e)

verkrijgen van goedkeuring van het hoger leidinggevend personeel voor het aangaan of voortzetten van de zakelijke relatie;

f)

verscherpt monitoren van de zakelijke relatie door het aantal en de frequentie van de controles te verhogen en door transactiepatronen te selecteren die nader onderzocht moeten worden;

g)

vereisen dat de eerste betaling wordt verricht via een rekening op naam van de cliënt bij een kredietinstelling waarvoor cliëntenonderzoeksnormen gelden die niet minder streng zijn dan de normen in deze verordening.

5.   Kredietinstellingen, financiële instellingen en aanbieders van trustdiensten of vennootschapsrechtelijke diensten passen, indien een zakelijke relatie waarvan is vastgesteld dat zij een hoger risico inhoudt, de verwerking betreft van activa ter waarde van ten minste 5 000 000 EUR, of de tegenwaarde in de nationale of buitenlandse munteenheid, via gepersonaliseerde diensten voor een cliënt die totale activa bezit ter waarde van ten minste 50 000 000 EUR, of de tegenwaarde in de nationale of buitenlandse munteenheid, hetzij in financiële, belegbare of vastgoedactiva of een combinatie daarvan, zonder het hoofdprivéverblijf van die cliënt, de volgende verscherpte zorgvuldigheidsmaatregelen toe, naast enige op grond van lid 4 toegepaste verscherpte zorgvuldigheidsmaatregel:

a)

specifieke maatregelen met inbegrip van procedures om de risico’s in verband met gepersonaliseerde diensten en producten die aan die cliënt worden aangeboden te beperken;

b)

verkrijgen van aanvullende informatie over de bron van de geldmiddelen van die cliënt;

c)

voorkomen en beheren van belangenconflicten tussen de cliënt en hoger leidinggevend personeel of werknemers van de meldingsplichtige entiteit die taken uitvoeren welke de naleving door die meldingsplichtige entiteit ten aanzien van die cliënt betreffen.

Uiterlijk op 10 juli 2027 vaardigt de AMLA richtsnoeren uit over de maatregelen die kredietinstellingen, financiële instellingen en aanbieders van trustdiensten of vennootschapsrechtelijke diensten moeten nemen om vast te stellen of een cliënt in totaal activa ter waarde van ten minste 50 000 000 EUR of de tegenwaarde in de nationale of buitenlandse munteenheid, in financiële, belegbare of vastgoedactiva bezit en hoe die waarde moet worden vastgesteld.

6.   Behalve in de gevallen als bedoeld in afdeling 2 van dit hoofdstuk kunnen lidstaten die op grond van artikel 8 van Richtlijn (EU) 2024/1640 gevallen met een hoger risico vaststellen, onder meer als gevolg van door de lidstaten uitgevoerde sectorale risicobeoordelingen, van de meldingsplichtige entiteiten verlangen dat zij verscherpte zorgvuldigheidsmaatregelen toepassen en, in voorkomend geval, die maatregelen specificeren. Lidstaten die een besluit tot oplegging van verscherpte zorgvuldigheidsvereisten aan op hun grondgebied gevestigde meldingsplichtige entiteiten hebben genomen, stellen de Commissie en de AMLA binnen één maand na de vaststelling daarvan in kennis en voegen bij die kennisgeving een motivering van de risico’s van witwassen en terrorismefinanciering die aan dat besluit ten grondslag liggen.

Indien de risico’s die de lidstaten op grond van de eerste alinea hebben vastgesteld van buiten de Unie kunnen komen en gevolgen kunnen hebben voor het financiële stelsel van de Unie, overweegt de AMLA om, op verzoek van de Commissie of op eigen initiatief, de op grond van artikel 32 vastgestelde richtsnoeren te actualiseren.

7.   De Commissie is overeenkomstig artikel 85 bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde deze verordening aan te vullen indien zij aanvullende gevallen met een hoger risico als bedoeld in lid 1 van dit artikel vaststelt die gevolgen hebben voor de Unie als geheel, en om verscherpte cliëntenonderzoeksmaatregelen vast te stellen die meldingsplichtige entiteiten in die gevallen moeten toepassen, rekening houdend met de kennisgevingen door de lidstaten overeenkomstig lid 6, eerste alinea, van dit artikel.

8.   Er worden niet automatisch verscherpte zorgvuldigheidsmaatregelen ingeroepen met betrekking tot bijkantoren of dochterondernemingen van in de Unie gevestigde meldingsplichtige entiteiten die gelegen zijn in derde landen als bedoeld in de artikelen 29, 30 en 31, indien die bijkantoren of dochterondernemingen volledig voldoen aan de op groepsniveau geldende gedragslijnen, procedures en controles overeenkomstig artikel 17.

Scroll naar boven