Artikel 2 – Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

“witwassen”: de in artikel 3, leden 1 en 5, van Richtlijn (EU) 2018/1673 bedoelde gedragingen, met inbegrip van medeplichtigheid aan, uitlokking van en poging tot het plegen van die gedragingen, ongeacht of de activiteiten die ten grondslag liggen aan de wit te wassen voorwerpen hebben plaatsgevonden op het grondgebied van een lidstaat of op dat van een derde land; medeweten, bedoeling of opzet, vereist als bestanddeel van die gedragingen, kunnen worden afgeleid uit objectieve feitelijke omstandigheden;

2)

“terrorismefinanciering”: de in artikel 11 van Richtlijn (EU) 2017/541 bedoelde gedragingen, met inbegrip van medeplichtigheid aan, uitlokking van en poging tot het plegen van die gedragingen, ongeacht of deze op het grondgebied van een lidstaat of op dat van een derde land plaatsvinden; medeweten, bedoeling of opzet, vereist als bestanddeel van die gedragingen, kunnen worden afgeleid uit objectieve feitelijke omstandigheden;

3)

“criminele activiteit”: criminele activiteit zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Richtlijn (EU) 2018/1673, alsmede fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad als gedefinieerd in artikel 3, lid 2, van Richtlijn (EU) 2017/1371, passieve en actieve corruptie als gedefinieerd in artikel 4, lid 2, van die richtlijn en wederrechtelijke toe-eigening als gedefinieerd in artikel 4, lid 3, tweede alinea, van die richtlijn;

4)

“geldmiddelen” of “voorwerpen”: voorwerpen zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Richtlijn (EU) 2018/1673;

5)

“kredietinstelling”:

a)

een kredietinstelling als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

b)

een bijkantoor van een kredietinstelling als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 17, van Verordening (EU) nr. 575/2013, wanneer gevestigd in de Unie, ongeacht of het hoofdkantoor ervan is gevestigd in een lidstaat of in een derde land;

6)

“financiële instelling”:

a)

een onderneming die geen kredietinstelling of beleggingsonderneming is en die een of meer van de in de punten 2 tot en met 12, 14 en 15 van bijlage I bij Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad  Richtlijn 2013/36/EU (PB L 176) opgenomen werkzaamheden verricht, met inbegrip van de werkzaamheden van wisselkantoren, maar met uitsluiting van de werkzaamheden vermeld in punt 8 van bijlage I bij Richtlijn (EU) 2015/2366, of een onderneming waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het verwerven van holdings, met inbegrip van een financiële holding, een gemengde financiële holding en een financiële gemengde holding;

b)

een verzekeringsonderneming zoals gedefinieerd in artikel 13, punt 1, van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad  Richtlijn 2009/138/EG (PB L 335), voor zover zij onder die richtlijn vallende activiteiten op het gebied van levensverzekeringen of andere beleggingsverzekeringen verricht, met inbegrip van verzekeringsholdings en gemengde verzekeringsholdings zoals gedefinieerd in artikel 212, lid 1, punten f) en g), van Richtlijn 2009/138/EG;

c)

een verzekeringstussenpersoon zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 3, van Richtlijn (EU) 2016/97 wanneer deze handelt met betrekking tot levensverzekeringen en andere beleggingsverzekeringen, met uitzondering van verzekeringstussenpersonen die geen premies of bedragen voor de cliënt innen en die onder de verantwoordelijkheid van een of meer verzekeringsondernemingen of verzekeringstussenpersonen handelen voor de producten die hen respectievelijk betreffen;

d)

een beleggingsonderneming zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 1, van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad  Richtlijn 2014/65/EU (PB L 173);

e)

een instelling voor collectieve belegging, met name:

i)

een instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, van Richtlijn 2009/65/EG en haar beheermaatschappij zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt b), van die richtlijn, of een beleggingsmaatschappij die overeenkomstig die richtlijn is toegelaten en geen beheermaatschappij heeft aangewezen, die rechten van deelneming in icbe’s in de Unie beschikbaar stelt voor de aankoop;

ii)

een alternatieve beleggingsinstelling (abi) zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt a), van Richtlijn 2011/61/EU en de abi-beheerder zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt b), van die richtlijn, die binnen het toepassingsgebied van artikel 2 van die richtlijn vallen;

f)

een centrale effectenbewaarinstelling zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 1, van Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad  Verordening (EU) 909/2014 (PB L 257);

g)

een kredietgever zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 2, van Richtlijn 2014/17/EU van het Europees Parlement en de Raad  Richtlijn 2014/17/ЕU (PB L 60) en artikel 3, punt b), van Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad  Richtlijn 2008/48/EG(PB L 133);

h)

een kredietbemiddelaar als gedefinieerd in artikel 4, punt 5, van Richtlijn 2014/17/EU en artikel 3, punt f), van Richtlijn 2008/48/EG, bij het aanhouden van de geldmiddelen als gedefinieerd in artikel 4, punt 25, van Richtlijn (EU) 2015/2366 in verband met de kredietovereenkomst, met uitzondering van de kredietbemiddelaars die activiteiten verrichten onder de verantwoordelijkheid van een of meer kredietgevers of kredietbemiddelaars;

i)

een aanbieder van cryptoactivadiensten;

j)

een in de Unie gelegen bijkantoor van een in de punten a) tot en met i) bedoelde financiële instelling, ongeacht of het hoofdkantoor ervan is gevestigd in een lidstaat of een derde land;

7)

“cryptoactivum”: een cryptoactivum zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt 5), van Verordening (EU) 2023/1114, behalve wanneer het onder de in artikel 2, lid 4, van die verordening genoemde categorieën valt;

8)

“cryptoactivadiensten”: cryptoactivadiensten als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt 16), van Verordening (EU) 2023/1114, met uitzondering van het verlenen van advies over cryptoactiva als bedoeld in artikel 3, lid 1, punt 16), h), van die verordening;

9)

“aanbieder van cryptoactivadiensten”: een aanbieder van cryptoactivadiensten zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt 15), van Verordening (EU) 2023/1114, wanneer deze een of meer cryptoactivadiensten verricht;

10)

“financiële gemengde holding”: een onderneming die geen financiële holding of gemengde financiële holding is en die geen dochteronderneming is van een andere onderneming, en waarvan de dochterondernemingen ten minste één kredietinstelling of financiële instelling omvatten;

11)

“aanbieder van trustdiensten of vennootschapsrechtelijke diensten”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die als bedrijfsactiviteit een van de volgende diensten aan derden aanbiedt:

a)

oprichten van vennootschappen of andere rechtspersonen;

b)

optreden als of regelen dat een andere persoon optreedt als bestuurder of secretaris van een vennootschap, als vennoot in een maatschap of in een soortgelijke hoedanigheid met betrekking tot andere rechtspersonen;

c)

het verstrekken van een statutaire zetel, bedrijfsadres, correspondentieadres of administratief adres, alsmede andere daarmee samenhangende diensten voor een bedrijf, een vennootschap, of een andere rechtspersoon of juridische constructie;

d)

optreden als of regelen dat een andere persoon als trustee van een express trust optreedt of een gelijkwaardige functie voor een soortgelijke juridische constructie vervult;

e)

optreden als of regelen dat een andere persoon optreedt als gevolmachtigd aandeelhouder voor een andere persoon;

12)

“kansspeldiensten”: diensten die gepaard gaan met het aangaan van een weddenschap waarbij een geldbedrag wordt ingezet in kansspelen, daaronder begrepen die welke enige bekwaamheid vereisen zoals loterijen, casinospelen, poker en weddenschapstransacties, die worden aangeboden op een fysieke locatie, dan wel op afstand met eender welk middel, langs elektronische weg of met enig andere communicatietechnologie, en op individueel verzoek van een afnemer van diensten;

13)

“niet-financiële gemengde holding”: een onderneming die geen financiële holding of gemengde financiële holding is en die geen dochteronderneming is van een andere onderneming, en waarvan de dochterondernemingen ten minste één van de in artikel 3, punt 3, bedoelde meldingsplichtige entiteit omvatten;

14)

“zelfgehost adres”: een zelfgehost adres zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 20, van Verordening (EU) 2023/1113;

15)

“crowdfundingdienstverlener”: een verlener van crowdfundingdiensten zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt e), van Verordening (EU) 2020/1503;

16)

“crowdfundingbemiddelaar”: een andere onderneming dan een crowdfundingdienstverlener, waarvan de activiteit bestaat in het matchen of vergemakkelijken van het matchen — via een internet-informatiesysteem dat openstaat voor het publiek of voor een beperkt aantal financiers — van:

a)

projecteigenaren, zijnde een natuurlijke of rechtspersoon die om financiering van projecten verzoekt, bestaande uit een vooraf bepaalde actie of een reeks vooraf bepaalde acties voor een bepaalde doelstelling, met inbegrip van het aantrekken van middelen voor een bepaald doel of evenement, ongeacht of die projecten aan het publiek of aan een beperkt aantal financiers worden voorgesteld, en

b)

financiers, zijnde natuurlijke of rechtspersonen die bijdragen aan de financiering van projecten, door middel van leningen, met of zonder rente, of donaties, ook wanneer dergelijke donaties de donor recht geven op een niet-materieel voordeel;

17)

“elektronisch geld”: elektronisch geld zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad  Richtlijn 2009/110/EG (PB L 267), maar met uitsluiting van monetaire waarde als bedoeld in artikel 1, leden 4 en 5, van die richtlijn;

18)

“vestiging”: de daadwerkelijke uitoefening door een meldingsplichtige entiteit van een economische activiteit als vermeld in artikel 3 in een andere lidstaat of een ander derde land dan het land waar haar hoofdkantoor zich voor onbepaalde tijd en via een stabiele infrastructuur bevindt, met inbegrip van:

a)

een bijkantoor of dochteronderneming;

b)

in het geval van kredietinstellingen en financiële instellingen, een infrastructuur die op grond van prudentiële regelgeving als een vestiging kan worden aangemerkt;

19)

“zakelijke relatie”: een zakelijke, professionele of commerciële relatie die verband houdt met de professionele activiteiten van een meldingsplichtige entiteit, die tot stand komt tussen een meldingsplichtige entiteit en een cliënt, ook wanneer een schriftelijke overeenkomst ontbreekt, en die naar verwachting, op het tijdstip waarop het contact tot stand komt, een element van herhaling of duur zal hebben of later zal krijgen;

20)

“onderling samenhangende transacties”: twee of meer transacties met dezelfde of een vergelijkbare oorsprong of bestemming en hetzelfde of een vergelijkbaar doel, of andere relevante kenmerken, gedurende een specifieke periode;

21)

“derde land”: een rechtsgebied, een onafhankelijke staat of een autonoom grondgebied dat/die geen deel uitmaakt van de Unie en een eigen AML/CFT-wetgeving of -handhavingsregeling heeft;

22)

“correspondentrelatie”:

a)

het verlenen van bankdiensten door een kredietinstelling als correspondent aan een andere kredietinstelling als respondent, met inbegrip van het verstrekken van een lopende of andere passiefrekening en aanverwante diensten, zoals contantenbeheer, internationale overmakingen van geldmiddelen zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 25, van Richtlijn (EU) 2015/2366, verwerking van cheques, transitrekeningen (“payable-through accounts”) en valutawisseldiensten;

b)

de relaties tussen kredietinstellingen onderling, tussen financiële instellingen onderling, en tussen kredietinstellingen en financiële instellingen, ook indien soortgelijke diensten door een correspondentinstelling aan een respondentinstelling worden verleend, met inbegrip van relaties die zijn aangegaan voor effectentransacties of overmakingen van geldmiddelen zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 25, van Richtlijn (EU) 2015/2366, transacties in cryptoactiva of overmakingen van cryptoactiva;

23)

“legehulsinstelling”:

a)

voor kredietinstellingen en financiële instellingen die geen aanbieders van cryptoactivadiensten zijn: een kredietinstelling of financiële instelling, of een instelling die gelijkwaardige activiteiten als die van een kredietinstelling of een financiële instelling verricht, opgericht in een rechtsgebied waar zij geen fysieke aanwezigheid, d.w.z. een bestuur en beheer van betekenis, heeft, en die niet verbonden is met een onder toezicht staande financiële groep;

b)

voor aanbieders van cryptoactivadiensten: een entiteit waarvan de naam voorkomt in het register dat op grond van artikel 110 van Verordening (EU) 2023/1114 door de Europese Autoriteit voor effecten en markten is ingesteld, of een entiteit uit een derde land die cryptoactivadiensten aanbiedt zonder daar over een vergunning te beschikken of geregistreerd te zijn of onder AML/CFT-toezicht te staan;

24)

“cryptoactivarekening”: een cryptoactivarekening zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 19, van Verordening (EU) 2023/1113;

25)

“anonimiseringsmunten”: cryptoactiva met ingebouwde kenmerken om informatie over de overmaking van cryptoactiva, systematisch of optioneel, anoniem te maken;

26)

“virtueel IBAN”: een identificatiecode waardoor betalingen worden doorgeleid naar een betaalrekening die door een ander IBAN-nummer wordt gekenmerkt dan die identificatiecode;

27)

“identificatiecode voor juridische entiteiten”: een aan de rechtspersoon overeenkomstig ISO-norm 17442 toegewezen unieke alfanumerieke referentiecode;

28)

“uiteindelijk begunstigde”: elke natuurlijke persoon die uiteindelijk eigenaar is van of zeggenschap heeft over een juridische entiteit, een express trust of soortgelijke juridische constructie;

29)

“express trust”: een trust die opzettelijk door de oprichter van de trust, inter vivos of bij overlijden, gewoonlijk in de vorm van een schriftelijk document, is gecreëerd om activa onder het zeggenschap van een trustee te plaatsen ten behoeve van een begunstigde of voor een bepaald doel;

30)

“voorwerp van een bevoegdheid”: de natuurlijke of rechtspersonen of de groep natuurlijke of rechtspersonen waaruit trustees de begunstigden van een discretionair trust kunnen kiezen;

31)

“verkrijger bij niet-uitoefening”: de natuurlijke of rechtspersonen of de groep natuurlijke of rechtspersonen die de begunstigden zijn van een discretionair trust indien de trustees hun discretionaire bevoegdheid niet uitoefenen;

32)

“juridische constructie”: een express trust of een constructie met een soortgelijke structuur of functie als een express trust, met inbegrip van fiducie en bepaalde soorten Treuhand en fideicomiso;

33)

“basisinformatie”:

a)

met betrekking tot een juridische entiteit:

i)

de rechtsvorm en naam van de juridische entiteit;

ii)

oprichtingsakte, en de statuten indien deze in een afzonderlijke akte zijn opgenomen;

iii)

het adres van de statutaire of officiële zetel en, indien verschillend, de hoofdvestiging, en het land van oprichting;

iv)

een lijst van juridische vertegenwoordigers;

v)

indien van toepassing, een lijst van aandeelhouders of vennoten, met inbegrip van informatie over het aantal aandelen in het bezit van elke aandeelhouder en de categorieën van die aandelen en de aard van de daaraan verbonden stemrechten;

vi)

indien beschikbaar, het registratienummer, de Europese unieke identificatiecode, het fiscaal identificatienummer en de identificatiecode voor juridische entiteiten;

vii)

in het geval van stichtingen, de activa waarover de stichting beschikt om haar doel na te streven;

b)

met betrekking tot een juridische constructie:

i)

de naam of unieke identificatiecode van de juridische constructie;

ii)

de trustakte of gelijkwaardige akte;

iii)

de doelen van de juridische constructie, indien van toepassing;

iv)

de activa die in de juridische constructie worden aangehouden of via die constructie worden beheerd;

v)

de woonplaats van de trustees van de express trusts of personen met gelijkwaardige functies in de soortgelijke juridische constructie en, indien verschillend, de plaats waar de express trust of soortgelijke juridische constructie wordt beheerd;

34)

“politiek prominente persoon”: een natuurlijke persoon die prominente publieke functies bekleedt of bekleed heeft, met inbegrip van:

a)

in een lidstaat:

i)

staatshoofden, regeringsleiders, ministers en onderministers of staatssecretarissen;

ii)

parlementsleden of leden van een soortgelijk wetgevend orgaan;

iii)

leden van de bestuursorganen van politieke partijen die zitting hebben in nationale uitvoerende of wetgevende organen, of in regionale of lokale uitvoerende of wetgevende organen die kiesdistricten van ten minste 50 000 inwoners vertegenwoordigen;

iv)

leden van een hooggerechtshof, een constitutioneel hof of een andere hoge rechterlijke instantie die arresten wijzen waartegen geen beroep openstaat, behalve in uitzonderlijke omstandigheden;

v)

leden van de rekenkamer of de raad van bestuur van de centrale bank;

vi)

ambassadeurs, zaakgelastigden of hoge officieren van de strijdkrachten;

vii)

leden van de bestuurs-, leidinggevende of toezichthoudende organen van ondernemingen die in een van de in artikel 22 van Richtlijn 2013/34/EU genoemde relaties onder zeggenschap staan van de staat of, indien die ondernemingen worden aangemerkt als middelgrote of grote ondernemingen of middelgrote of grote groepen als omschreven in artikel 3, lid 3, artikel 4, artikel 6 en artikel 7, van die richtlijn, van regionale of lokale overheden;

viii)

hoofden van regionale en lokale overheden, met inbegrip van groeperingen van gemeenten en grootstedelijke gebieden, met ten minste 50 000 inwoners;

ix)

andere prominente publieke functies waarin de lidstaten voorzien;

b)

in een internationale organisatie:

i)

de hoogste ambtenaren, hun plaatsvervangers en leden van de raad van bestuur of bekleders van gelijkwaardige functies van een internationale organisatie;

ii)

vertegenwoordigers bij een lidstaat of bij de Unie;

c)

op het niveau van de Unie:

functies op het niveau van de instellingen en organen van de Unie die gelijkwaardig zijn aan die in de punten a), i), ii), iv), v) en vi);

d)

in een derde land:

functies die gelijkwaardig zijn aan die in punt a);

35)

“familielid”:

a)

een echtgenoot of echtgenote of een persoon met wie de betrokkene een geregistreerd partnerschap of een soortgelijke regeling is aangegaan;

b)

een kind, en een echtgenoot of echtgenote van dat kind of een persoon met wie dat kind een geregistreerd partnerschap of een soortgelijke regeling is aangegaan;

c)

een ouder;

d)

voor de in punt 34), a), i), bedoelde functies en gelijkwaardige functies op het niveau van de Unie of in een derde land, een broer of zus;

36)

“als naaste geassocieerde bekende persoon”:

a)

een natuurlijke persoon van wie bekend is dat deze met een politiek prominente persoon de gezamenlijke uiteindelijk begunstigde is van juridische entiteiten of juridische constructies, of met een politiek prominente persoon andere nauwe zakelijke relaties heeft;

b)

een natuurlijke persoon die als enige de uiteindelijk begunstigde is van een juridische entiteit of juridische constructie waarvan bekend is dat deze is opgezet ten behoeve van de feitelijke begunstiging van een politiek prominente persoon;

37)

“leidinggevend orgaan”: het orgaan of de organen van een meldingsplichtige entiteit die overeenkomstig het nationale recht zijn aangesteld, die bevoegd zijn om de strategie, doelstellingen en algemene leiding van de meldingsplichtige entiteit vast te stellen, en die toezicht houden op de bestuurlijke besluitvorming en deze monitoren, met inbegrip van de personen die de bedrijfsactiviteiten van de meldingsplichtige entiteit daadwerkelijk leiden; indien er geen dergelijk orgaan bestaat, de persoon die de bedrijfsactiviteiten van de meldingsplichtige entiteit daadwerkelijk leidt;

38)

“leidinggevend orgaan in zijn leidinggevende functie”: het leidinggevend orgaan dat verantwoordelijk is voor de dagelijkse leiding van de meldingsplichtige entiteit;

39)

“leidinggevend orgaan in zijn toezichthoudende functie”: het leidinggevend orgaan dat optreedt in zijn rol van toezichthouder op en monitor van de bestuurlijke besluitvorming;

40)

“hoger leidinggevend personeel”: de leden van het leidinggevend orgaan in zijn leidinggevende functie, alsmede functionarissen en werknemers die over voldoende kennis inzake de blootstelling van de meldingsplichtige entiteit aan risico’s van witwassen en terrorismefinanciering beschikken en voldoende anciënniteit hebben om besluiten te nemen die van invloed zijn op die blootstelling;

41)

“groep”: een groep van ondernemingen bestaande uit een moederonderneming, haar dochterondernemingen, alsmede ondernemingen die met elkaar verbonden zijn door een betrekking in de zin van artikel 22 van Richtlijn 2013/34/EU;

42)

“moederonderneming”:

a)

voor groepen waarvan het hoofdkantoor in de Unie is gevestigd, een meldingsplichtige entiteit die een moederonderneming is zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 9, van Richtlijn 2013/34/EU die zelf geen dochteronderneming is van een andere onderneming in de Unie, mits ten minste één dochteronderneming een meldingsplichtige entiteit is;

b)

voor groepen waarvan het hoofdkantoor buiten de Unie is gevestigd, indien ten minste twee dochterondernemingen in de Unie gevestigde meldingsplichtige entiteiten zijn, een in de Unie gevestigde onderneming binnen die groep die:

i)

een meldingsplichtige entiteit is;

ii)

een onderneming is die geen dochteronderneming is van een andere onderneming die een in de Unie gevestigde meldingsplichtige entiteit is;

iii)

voldoende prominent is binnen de groep en voldoende inzicht heeft in de activiteiten van de groep waarop de voorschriften van deze verordening van toepassing zijn, en

iv)

de verantwoordelijkheid krijgt om op groepsniveau geldende voorschriften uit hoofde van hoofdstuk II, afdeling 2, van deze verordening toe te passen;

43)

“contanten”: liquide middelen als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2018/1672 van het Europees Parlement en de Raad  Verordening (EU) 2018/1672 (PB L 284);

44)

“bevoegde autoriteit”:

a)

een financiële-inlichtingeneenheid (FIE);

b)

een toezichthoudende autoriteit;

c)

een overheidsinstantie die belast is met het onderzoeken of vervolgen van witwassen, daarmee verband houdende basisdelicten of terrorismefinanciering of met het opsporen, in beslag nemen of bevriezen en confisqueren van criminele activa;

d)

een overheidsinstantie waaraan taken zijn toegewezen op het gebied van de bestrijding van witwassen of terrorismefinanciering;

45)

“toezichthouder”: het orgaan belast met verantwoordelijkheden met het oog op de naleving van de vereisten van deze verordening door de meldingsplichtige entiteiten, met inbegrip van de AMLA bij de uitvoering van de taken waarmee zij uit hoofde van artikel 5, lid 2, van Verordening (EU) 2024/1620 is belast;

46)

“toezichthoudende autoriteit”: een toezichthouder die een overheidsorgaan is, of de overheidsinstantie die toezicht houdt op zelfregulerende organen bij de uitoefening van hun toezichthoudende taken op grond van artikel 37 van Richtlijn (EU) 2024/1640, of de AMLA wanneer zij als toezichthouder optreedt;

47)

“zelfregulerend orgaan”: een orgaan dat leden van een beroepsgroep vertegenwoordigt en betrokken is bij de opstelling en handhaving van regels voor die leden en bepaalde toezichts- of monitoringfuncties uitoefent;

48)

“geldmiddelen of andere activa”: activa, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, financiële activa, economische middelen, waaronder olie en andere natuurlijke hulpbronnen, voorwerpen van enigerlei aard, materieel of immaterieel, roerend of onroerend, ongeacht de wijze van verwerving, en juridische documenten of instrumenten in enigerlei vorm, ook elektronisch of digitaal, waaruit de eigendom van of een belang in dergelijke geldmiddelen of andere activa blijkt, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, bankkredieten, reischeques, bankcheques; postwissels, aandelen, effecten, obligaties, wissels of kredietbrieven, en rente, dividenden of andere inkomsten uit of waarde afkomstig van of gegenereerd door dergelijke geldmiddelen of andere activa, en alle andere activa die kunnen worden gebruikt om geldmiddelen, goederen of diensten te verkrijgen;

49)

“gerichte financiële sancties”: zowel de bevriezing van activa als het verbod op het beschikbaar stellen van geldmiddelen of andere activa, direct of indirect, ten behoeve van aangewezen personen en entiteiten op grond van besluiten van de Raad die zijn vastgesteld op grond van artikel 29 van het VEU en verordeningen van de Raad die zijn vastgesteld op basis van artikel 215 van het VWEU;

50)

“financiële sancties van de VN”: zowel bevriezing van activa als het verbod op het beschikbaar stellen van geldmiddelen of andere activa, direct of indirect, ten behoeve van aangewezen of op een lijst geplaatste personen en entiteiten op grond van:

a)

Resolutie 1267 (1999) van de VN-Veiligheidsraad en de daaropvolgende resoluties;

b)

Resolutie 1373 (2001) van de VN-Veiligheidsraad, met inbegrip van de vaststelling dat de desbetreffende sancties op de persoon of entiteit zullen worden toegepast en dat die vaststelling openbaar wordt gemaakt;

c)

financiële sancties van de VN in verband met de financiering van proliferatie;

51)

“financiële sancties van de VN in verband met de financiering van proliferatie”: zowel bevriezing van activa als het verbod op het beschikbaar stellen van geldmiddelen of andere activa, direct of indirect, ten behoeve van aangewezen of op een lijst geplaatste personen en entiteiten op grond van:

a)

Resolutie 1718 (2006) van de VN-Veiligheidsraad en de daaropvolgende resoluties;

b)

Resolutie 2231 (2015) van de VN-Veiligheidsraad en de daaropvolgende resoluties;

c)

andere resoluties van de VN-Veiligheidsraad tot bevriezing van activa en het verbod op het beschikbaar stellen van geldmiddelen of andere activa in verband met de financiering van de proliferatie van massavernietigingswapens;

52)

“professionele voetbalclub”: een rechtspersoon die een voetbalclub is waaraan een licentie is verleend en die deelneemt aan de nationale voetbalcompetities in een lidstaat en waarvan de spelers en het personeel contractueel in dienst zijn genomen en in ruil voor hun diensten worden beloond, dan wel een rechtspersoon die eigenaar of beheerder van een dergelijke voetbalclub is;

53)

“voetbalmakelaar”: een natuurlijke of rechtspersoon die tegen vergoeding bemiddelingsdiensten aanbiedt en voetbalspelers of professionele voetbalclubs vertegenwoordigt in onderhandelingen met het oog op het sluiten van een contract voor een voetbalspeler, of die professionele voetbalclubs vertegenwoordigt in onderhandelingen met het oog op het sluiten van een overeenkomst voor de transfer van een voetbalspeler;

54)

“goederen met een hoge waarde”: de in bijlage IV genoemde goederen;

55)

“edelmetalen en edelstenen”: metalen en stenen als opgenomen in bijlage V;

56)

“cultuurgoederen”: goederen die zijn opgenomen in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 116/2009 van de Raad Verordening (EG) 116/2009 (PB L 39);

57)

“partnerschap voor informatie-uitwisseling”: een mechanisme dat het delen en verwerken van informatie tussen meldingsplichtige entiteiten en, in voorkomend geval, de in punt 44, onder a), b) en c), van dit artikel genoemde bevoegde autoriteiten mogelijk maakt met het oog op het voorkomen en bestrijden van witwassen, basisdelicten en terrorismefinanciering, op nationaal of grensoverschrijdend niveau en ongeacht de vorm van dat partnerschap.

2.   Het begrip “prominente publieke functies” als bedoeld in lid 1, punt 34), wordt niet aldus opgevat dat ook ambtenaren van het lagere en middenkader eronder vallen.

3.   Indien hun administratieve organisatie en risico’s dit rechtvaardigen, kunnen de lidstaten lagere drempels vaststellen voor de aanwijzing van de volgende prominente publieke functies:

a)

leden van bestuursorganen van politieke partijen die op regionaal of lokaal niveau zijn vertegenwoordigd, zoals bedoeld in lid 1), punt 34, a), iii);

b)

hoofden van regionale en lokale overheden, zoals bedoeld in lid 1, punt 34, a), viii).

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van die lagere drempels.

4.   Met betrekking tot lid 1, punt 34, a), vii), van dit artikel kunnen de lidstaten, indien hun administratieve organisatie en risico’s dit rechtvaardigen, voor de identificatie van ondernemingen die onder zeggenschap staan van regionale of lokale overheden lagere drempels vaststellen dan die welke zijn bepaald in artikel 3, leden 3, 4, 6 en 7, van Richtlijn 2013/34/EU.

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van die lagere drempels.

5.   Indien hun sociale en culturele structuren en risico’s dit rechtvaardigen, kunnen de lidstaten voor de aanwijzing van broers en zussen als familieleden van politiek prominente personen een ruimer toepassingsgebied hanteren, zoals bedoeld in lid 1, punt 35, d).

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van dit ruimer toepassingsgebied.

Scroll naar boven